Blog van Jan

Jan leest dagelijks de krant en heeft altijd een mening hierover. Omdat ze thuis niet naar hem luisteren, krijgt Jan hier om de week een plekje om zijn zegje te doen over actualiteiten in het onderwijs.

Deze keer in de blog van Jan: 

 

'De Staat van het Onderwijs 2018 ' en na regen komt zonneschijn

 

 

 

 

Druk, drukker, werkdruk!

De parabel van de gekookte kikker

 

 

Lees meer

         

 

Afgelopen woensdag 14 maart was ik op een studiedag over werkdruk, met de titel ‘Onderwijs in Balans’. Deze studiedag werd georganiseerd door Stijn Huijsmans van Onderwijs-congressen. Ik was ruim op tijd aanwezig en kwam in gesprek met een directeur uit het basisonderwijs. Hij vertelde dat vandaag ook zijn school meedeed aan de estafettestaking.

De leraren in het basisonderwijs staken nog steeds voor een beter loon en voor vermindering van de werkdruk. Met deze staking hebben ze al behoorlijk wat weten te bereiken, namelijk een toezegging van 700 miljoen, maar de leraren willen meer, namelijk ruim het dubbele van dit bedrag. Van de toegezegde 700 miljoen is 237 miljoen bestemd voor het verlagen van de werkdruk. De basisschoolteams mogen zelf bepalen waaraan zij dit geld besteden. Ik ben heel benieuwd wat de teams binnenkort voor keuzes gaan maken.

 

Terug naar de studiedag. De dag werd geopend met wat feiten afkomstig uit verschillende onderzoeken, en die liegen er niet om. Zo blijkt dat meer dan de helft van de docenten in het onderwijs er wel eens aan denkt om te stoppen met hun baan vanwege een te hoge werkdruk. De afgelopen 10 jaar is de werkdruk in het onderwijs flink toegenomen met werkstress en zelfs burn-out klachten tot gevolg. Dit laatste kan ik beamen, omdat ik steeds meer vragen krijg om leerkrachten te ondersteunen nadat ze voor korte of langere tijd ziek of afwezig zijn geweest.

Verder blijkt uit onderzoek van de NOS dat docenten die hoge werkdruk ervaren vooral klagen over de toegenomen administratieve werklast. Maar ook kinderen met gedragsproblematiek, (te) grote klassen, organisatorische veranderingen en verslechterde relaties op de werkvloer worden als oorzaak gezien. Kortom genoeg om aandacht aan te besteden tijdens deze studiedag.

Na de feiten was er gelukkig ruim aandacht voor mogelijke oplossingen. Enkele vragen die aan de orde kwamen zijn: Hoe houd je jezelf staande bij deze toenemende werkdruk? Hoe blijf je trouw aan je waarden? Wat kunnen organisaties doen om deze problematiek het hoofd te bieden?

Ik volgde de workshops Mindful voor de klas; Zelfreflectie; Energiek aan het werk; en Luisteren naar het lichaam. Alleen al de Yoga-les was een hele verademing om mee te maken. Als herboren liep ik na het oprollen van de matjes de klas uit. Een echte eye-opener en aanbeveling!

 

Tijdens de lunch kwam ik in gesprek met twee jonge leraren, een uit het basisonderwijs en een uit het voortgezet onderwijs, die de steeds grotere druk goed konden beschrijven. Een voorbeeld was: het opvangen van de leerlingen als een collega ziek is. Een andere: het continu rooster, waardoor de leraren niet of nauwelijks nog tijd hebben om te eten en naar het toilet te gaan.

 

Het is net de parabel van de gekookte kikker. Als het water in het pannetje op het vuur heel langzaam warmer wordt dan springt de kikker er niet uit.

Dit is ook aan de hand in het onderwijs.

 

Wat heeft dit nu allemaal met Ondernemend Onderwijs te maken zul je je afvragen?

Heel erg veel. Bij ondernemend onderwijs gaan we niet alleen voor ondernemendheid in het onderwijs, maar ook voor een ondernemende samenleving en voor ondernemende individuen. We gaan en staan voor proactieve mensen die voor zichzelf weten op te komen. En dus ook gewoon keihard nee durven te zeggen.

Misschien is nee wel het krachtigste woord op aarde als het over werkdruk gaat!

 

Jan Raemaekers, lid programmateam OO 'sH

 

 

Link naar onderwijs-congressen.nl

Link naar Ministerie van Onderwijs met regeling om werkdruk tegen te gaan

Boek: Onderwijsvuur. Met energie en plezier voor de klas. Dijksterhuis en Kollen. 2018.

 

 

 

 

Wedstrijd: ontwerp acceptabele oplossing voor aardbevingen in Groningen!

Draai dicht die kraan!

 

 

Lees meer

Het kan niet zo zijn dat we de Groningers in het hoge Noorden van ons land in de kou laten staan, terwijl hun Gronings gas heel Nederland al jaren lekker warm houdt! Dus is het tijd voor actie en om de helpende hand toe te steken.

Wat is er aan de hand? De NAM, de Nederlandse Aardolie Maatschappij, ontdekte in 1959 gas in de grond in Kolham vlak bij Slochteren, midden in de provincie Groningen. Niet veel later is de NAM begonnen met het oppompen van het aardgas. In die tijd ging Nederland langzaam maar zeker over van kolen op gas. Onze hele maatschappij werd afhankelijk van het gas. Veel industrie, zoals de glastuinbouw, draait op gas, bijna elk gezin heeft verwarming op gas of kookt op gas, een deel van onze auto’s loopt op gas en ga zo maar door. En naast Nederland maakt ook een groot deel van onze buurlanden gebruik van het gas uit Groningen.
We kunnen dus rustig stellen dat de Nederlandse welvaart voor een groot gedeelte te danken is aan de vondst in Groningen.

Op zich een positief verhaal tot de eerste aardschokken zich voor doen. Op Eerste Kerstdag 1986 wordt een aardbeving van 3.0 op de Schaal van Richter gemeten. En de aardschokken nemen toe in frequentie en hevigheid. Huizen en andere gebouwen lopen steeds meer schade op. De huizen raken onbewoonbaar en onverkoopbaar.
De vraag om hulp van de Groningers is dan ook terecht. Hulp bij het herstel van de schade, met financiële compensatie, maar ook met het herstellen van de veiligheid.
De NAM doet hier al jaren moeilijk over en ook voorgaande kabinetten zijn Oost-Indisch doof voor de klachten van de Groningers. Gelukkig lijkt de publieke opinie nu te keren en begrijpt ook het huidige kabinet dat het zo niet langer kan.

Ook Ondernemend Onderwijs wil een duit in het zakje doen. Op de eerste plaats natuurlijk door er deze blog aan te wijden. En daarnaast dagen wij alle lezers uit om mee te denken over hoe we de aardbevingen het beste kunnen stoppen, maar dan wel op een ontwerpende manier.
Een ontwerpwedstrijd dus!


En hoe gaan we dat doen?
Voor deze wedstrijd maken we gebruik van de Ontwerpcirkel. De ontwerpcirkel is een manier van denken en werken, en beschrijft het proces van aanpak.

De Ontwerpcirkel

 

Tijdens de Verkenningsfase (1) van het proces staan de probleemstelling, het programma van eisen en wensen en de ontwerpcriteria centraal. Of kort gezegd de ontwikkelopdracht wordt geformuleerd.
Voor Groningen is het probleem duidelijk: Stop de aardbevingen. Simpel, zul je denken: draai die kraan dicht en klaar! Maar er zijn eisen aan verbonden o.a. dat we gas nodig hebben voor ons eigen gebruik in Nederland. We hebben langlopende contracten met buitenlandse afnemers. En wat we ook bedenken aan oplossingen, het moet ook voor de Groningers een acceptabele oplossing zijn.

Daarna komt de Idee-ontwikkelfase (2), hierin staat de aanpak centraal. Het proces van divergeren en convergeren, dat wil zeggen samen zoveel mogelijk ideeën bedenken om er uiteindelijk een of twee verder uit te voeren. En dit is waar ik de lezer voor wil oproepen.
Bedenk zoveel mogelijk oplossingen voor de aardbevingen in Groningen, met in achtneming van de eisen en stuur al je ideeën op naar sh.ondernemendonderwijs@gmail.com

Er is een mooie prijs te winnen, namelijk een gratis deelname aan een HUB-verwensessie van Ondernemend Onderwijs in ’s-Hertogenbosch.
Daarnaast sturen we alle ideeën door naar de Commissaris van de Koning in Groningen, de heer Paas. Zo helpen we samen met Ondernemend Onderwijs ‘sH mee aan een duurzaam beter leefbaar Nederland.


Jan Raemaekers, lid programmateam OO ‘sH

 

 

 

The Voice of Holland beter dan het Rijksmuseum?

Saamhorigheid door Wilhelmus en Rijksmuseum?

 

 

Lees meer

Deze regering heeft in haar regeerakkoord opgenomen dat iedere leerling minimaal éénmaal tijdens zijn of haar schooltijd het Rijksmuseum moet hebben bezocht. Ook moeten onze leerlingen het volledige Wilhelmus leren op school, alle 15 coupletten*. En tot slot staat er sinds een paar weken een Nederlandse vlag in de Tweede Kamer rechts achter de Tweede Kamer voorzitter. Dit alles volgens mij om de Nederlanders weer trots te laten zijn op Nederland. Denk aan de Amerikanen die iedere ochtend op school hun volkslied zingen, staand en met hun rechterhand op hun hart. Of om met de woorden van Balkenende te spreken “onze VOC mentaliteit” weer terug te laten keren “toch”? Volgens mij willen de bedenkers de integratie tussen Nederlanders en nieuwe Nederlanders ermee bevorderen.

Ik weet niet beter dan dat iedere Nederlander met het Wilhelmus niet veel verder komt dan het eerste couplet en het refrein.  Het Wilhelmus is wel het oudste volkslied ter wereld, (ergens rond 1570 geschreven), maar pas officieel sinds 1932 ons volkslied. De tekst is onnavolgbaar en een goed begrip kost een jaar lang alle geschiedenislessen op de middelbare school.

Ik ben van mening dat juist minder nationalisme nodig is in Nederland en in de ons omringende landen. Het aanwakkeren ervan geeft alleen maar ellende. Kijk naar Baskenland, Catalonië, de Balkan, en natuurlijk de Brexit. Om over Amerika maar helemaal te zwijgen.

Verder werken al die cosmetische veranderingen (vlaggen) niet of nauwelijks.

 

Dan nog het verplichte bezoek aan het Rijksmuseum. Alle leerlingen uit heel Nederland stop je één keer in hun schoolcarrière in een bus die je dan na 2 uur rijden, zonder files, afzet bij het Rijksmuseum. Als kuddedieren word je naar de Nachtwacht gedreven en luister je verplicht naar de uitleg. Een zaal verder kijk je naar de prestaties van de VOC en WOC, waar centrale begrippen als onderdrukking en slavernij worden verheerlijkt. Je schaamt je diep als rechtgeaarde Nederlander. Na drie uur rondkijken, kun je geen kunst meer zien en vind je het niet erg als de boel zou affikken.

Waar het uiteindelijk om gaat, volgens deze regering, is of deze maatregelen goed zijn voor het bevorderen van het saamhorigheidsgevoel in Nederland. Of om de integratie te bevorderen. Ik denk niet dat dit de oplossingen zijn!

Een veel betere manier om de integratie te bevorderen is een programma te kijken als The Voice of Holland. Hierin zie je alle kandidaten vol enthousiasme deelnemen aan de zogenaamde Blind Auditions. Kleurrijke gewone Nederlanders en ook nieuwe gewone Nederlanders komen voorbij om hun beste zangprestatie en optreden neer te zetten voor vier juryleden die in een grote draaibare stoel met de rug naar deze zanger of zangeres luisteren. Of het nu  wel of niet lukt om de juryleden op een knop te laten drukken, waardoor de zanger of zangeres door kan naar de volgende ronde, de zogenaamde Battles, is minder belangrijk.

Wat ik zie is een bont gezelschap van goed geïntegreerde mensen die een kans zien om hun dromen waar te maken. Die het lef en de moed hebben alleen een podium op te lopen en een presentatie neer te zetten voor ongeveer 2 miljoen kijkers. En die niet bang zijn om te falen en indien nodig twee jaar later het weer te proberen. Ik zie een Nederland op zijn mooist! Wat een mooi programma, alleen jammer van de naam. Dit had The Voice of The Netherlands moet zijn. Of nog beter De stem van Nederland.

 

Jan Raemaekers, lid Programmateam OO

 

*Voor geïnteresseerden: hier de tekst van het volledige Wilhelmus

 

 

Over motivatie en enthousiaste leerkrachten in het onderwijs

Pleidooi voor Ruimte voor Ondernemendheid!

 

 

Lees meer

Er wordt veel geschreven  over het gebrek aan motivatie en bevlogenheid bij leerkrachten en docenten. Ze zouden alleen maar zeuren en klagen. Hoe komt dat nu? En wat zou je er aan kunnen doen?

Vanuit onderzoek (Marzano)  is algemeen bekend dat leerkrachten en docenten hard werken en veel uren investeren in hun werk. Ook lijkt mij evident dat werkdruk kan leiden tot werkstress en niet goed is voor het enthousiasme van een werknemer. En dat het beroep van leerkracht en docent de laatste decennia behoorlijk in aanzien en status is gedaald is ook algemeen bekend.

Hoe krijgen we de motivatie weer in het onderwijs?

Volgens mij zijn hiervoor twee ontwikkelingen nodig. De eerste heeft met name betrekking op de structuur van de scholen. De tweede ontwikkeling heeft meer betrekking op de cultuurkant van de scholen.

De structuur van een school is sterk hiërarchisch en is volgens mij een verkeerde hiërarchie, inclusief een verkeerde salariëring.  Op veel organigrammen staat Het College van Bestuur bovenaan, met daaronder de directie, dan het management en helemaal onderaan staan de verschillende vaksecties met hun (vak)docenten. Op zich is zo’n plaatje of grafische afbeelding niet zo erg, het is een vereenvoudigde weergave van de organisatie of de werkelijkheid. Toch geeft het bewust of onbewust het verkeerde signaal. Draai het hele organogram een kwart slag om en  werk van links naar rechts Of nog beter je zet de docenten bovenaan in het organogram! Zelf heb ik een voorkeur voor een cirkelvorming weergave van een organisatie waarbij de leerlingen centraal staan, omringd door de docenten en vaksectie, daarna het secundaire proces met bijbehorend management, enzoverder.

ok de salariëring zou volgens mij aangepast moeten worden. Het hoogste salaris is voor de belangrijkste persoon in de organisatie en dat is de docent. Hij is de vakman of vakvrouw die weet hoe de leerlingen leren en hoe je het onderwijs dus vorm moet geven. Managers en directies staan in dienst van de docent en hun enige taak is er voor te zorgen dat de docent optimaal kan functioneren en de leerlingen optimaal of maximaal profiteren van het onderwijs. Als dit voorlopig een stapje te ver is of niet echt realistisch dan zou ik overgaan op plan B.

Wat de motivatie van leerkrachten en docenten echt zal bevorderen is precies gelijk aan dat wat de motivatie van leerlingen en studenten bevordert, namelijk geef docenten de ruimte om zelf keuzes te maken hoe ze hun onderwijs vorm willen geven. De ene docent zal dan strak de methode volgen, de ander wil meer werken met projecten, weer een ander maakt graag en veel gebruik van ict mogelijkheden en sommige docenten laten studenten veel samenwerken of vinden het belangrijk dat studenten zelf ervaren hoe iets voelt of werkt. Nu zijn de docenten te veel slaaf (geworden) van  een methode. Geef docenten hun vrijheden terug!

Een tweede belangrijke punt is dat docenten veel meer ruimte moeten krijgen en nemen om samen te werken, intern en extern. De docenten zijn de didactische deskundigen van de school. Door ze samen lessen te laten voorbereiden, te laten uitvoeren en te laten nabespreken zal hun professionaliteit en motivatie met sprongen vooruit gaan. Officieel hebben de docenten recht op 160 uur professionalisering per jaar. Door meer samen te werken kunnen docenten hun ervaringen delen en zo van en met elkaar leren.

Meer samenwerken kan ook extern met andere scholen en organisaties. Ook dit zal de professionaliteit van de docenten ten goede komen.

Een derde aandachtspunt om de motivatie te herstellen is een flexibelere manier van toetsen en beoordelen. Veel tijd van docenten gaat zitten in het ontwikkelen en nakijken van toetsen. De meest docenten maken gebruik van toetsen om de vorderingen van de studenten vast te leggen. Begrijpelijk maar vooral fijn voor studenten die goed kunnen lezen en houden van multiplechoice vragen. Geef docenten de ruimte om een veel breder  scala van beoordelingsmiddelen in te zetten bijvoorbeeld werkstukken, verslagen, presentaties, gesprekken, enz.

De manier van toetsen en beoordelen mag rustig wat verder worden opgerekt. Denk bijvoorbeeld aan een filmpje waarin je laat zien dat je doelen van de les kent en kunt toepassen.

Al deze drie mogelijkheden zijn reeds terug te vinden in het zeer dynamische onderwijsveld. Er zijn geen wettelijke beperkingen voor bovenstaande maatregelen. Docenten en scholen kunnen deze stappen nu al nemen. Gelukkig hebben veel docenten en scholen dat al gedaan.

Jan Raemaekers, Lid Programmateam ‘sH OO

 

De verslavende werking van de gsm

Drooglegging jeugd heeft positief effect!?

 

 

Lees meer

De afgelopen maand ben ik verschillende berichten tegengekomen over het gebruik van de gsm. Of beter gezegd over het niet gebruiken en/of verbieden ervan. Vertel!?

Zo was ik op de Bossche Vakschool in Den Bosch en kreeg daar te horen dat de docenten en directie hebben besloten alle gsm’s in de klas te verbieden. De leerlingen moeten bij binnenkomst hun gsm in hun locker leggen en kunnen die bij het verlaten van de school weer meenemen.

Verder hoorde ik op de radio dat het aantal verkeersongelukken sinds 2013 weer aan het stijgen is als gevolg van gebruiken van de gsm door de bestuurders van met name auto’s.

Bij een optreden van Chris Rock, één van de beste stand-up comedians van deze generatie, in de Ziggo Dome, mochten de bezoekers van zijn ‘Total Blackout Tour’ geen gebruik maken van hun mobiele telefoons. Niet om foto’s te maken, maar ook niet om te bellen, sms-en, appen of voor het checken van social media. Bij binnenkomst kregen alle bezoekers een Yondr-phonecase waarin de telefoon in stil-modus of uitgeschakeld moest worden bewaard. Dit hoesje werd vervolgens door een medewerker vergrendeld.

Daarnaast vertelde Sergio Herman, de Belgische meester kok, onlangs bij De Wereld Draait Door (DWDD) dat hij vóór een maaltijd zijn tafelgenoten de gsm's laat opstapelen, zodat ze volop de belevenis van het eten tot zich kunnen nemen. 

Heel wat anti-gsm berichten dus!

 

Is de gsm verslavend?

In een filmpje* over de verslavende werking van het gebruik van gsm, I-pad en andere social media wordt haarfijn uitgelegd hoe deze verslaving precies tot stand komt. Elk piepje of berichtje maakt in de hersenen een stofje aan dat dopamine heet. Hierdoor voel je je onmiddellijk goed. Dopamine is het zelfde stofje dat ook wordt aangemaakt bij roken, gokken en drinken en werkt heel verslavend. Uit een onderzoek uit 2014 van Franssen*, student aan de Universiteit van Maastricht, blijkt dat de helft tot 70% van de jeugd verslaafd is aan zijn of haar mobiel. Dus als de gsm uitgaat treden er daadwerkelijk fysieke ontwenningsverschijnselen op.

De fabrikanten van al die hard- en software weten dit uiteraard en maken hier heel handig gebruik van. Hun apparaten blinken, piepen, pingen, knipperen, trillen, enz. en vragen onze aandacht elke seconde van de dag.

Hé Jan, je blog heeft toch wel een positief einde?

Zeker! Wat dringend nodig is een reactie. Je kunt de jeugd wel de schuld geven, maar wij, de ouders van deze millennials hebben verzuimd (omdat we niet wisten hoe) ze met deze nieuwe mediaontwikkelingen om te leren gaan.

 

Wat kunnen we doen?

Op de eerste plaats kunnen ouders hun kroost aanleren hun gsm’etje tijdens het slapen beneden te laten liggen aan de oplader. Hierdoor krijgen ze in ieder geval voldoende nachtrust en komen ze weer toe aan de diepere REM-slaap. Verder kunnen de ouders het goede voorbeeld geven en o.a. tijdens het eten zelf ook geen gebruik te maken van de gsm. Stapel ze samen op en je kunt weer een echt gesprek voeren! Met andere woorden: een goed voorbeeld doet goed volgen.

Ook school heeft een opvoedende taak. De mobieltjes kunnen, met het geluid uit, bij aanvang van school of les in de locker of elders worden opgeborgen. De docent krijgt dan mogelijk ook weer de aandacht die hij of zij verdient.

Verder is het hoog tijd ook vakken als mediawijsheid meer aandacht en ruimte te geven in het curriculum van het onderwijs. We leren op deze manier hoe op een nette manier met al die social media om te gaan.

Tot slot hoorde ik op de Bossche Vakschool dat de eerste week na invoer 20 leerlingen betrapt waren op het gebruik van hun gsm tijdens schooltijden. In de tweede week waren dit er nog 8. In de derde week stond de teller op 0. Wat verder opviel was dat de leerlingen weer met elkaar gingen praten en dat ze elkaar weer gingen helpen wanneer daarom werd gevraagd. De leerlingen geven nu zelfs aan dat ze blij zijn dat ze niet constant op hun mobieltje hoeven te kijken.

Link naar onderzoek van Franssen 2014:

Link naar het filmpje op facebook:

 

Met vriendelijke groet,

Jan

 

 

Positieve start schooljaar 2017-2018

That's the spirit!

 

 

Lees meer

De zomervakantie is al weer lang en breed voorbij. Het onderwijs is al weer keihard van start gegaan, het laatst in regio Noord. En elk begin is moeilijk. Weer nieuwe leerlingen en studenten, een nieuwe groep, nieuwe leerkracht of docent, andere vakken en boeken, enz.

Of is juist elk begin ook een nieuwe kans of een nieuwe mogelijkheid?. Elke nieuwe blog is dat zeker!

Graag wil ik komend schooljaar ook weer aandacht besteden aan positieve ontwikkelingen in het onderwijs en bedrijfsleven. En dit keer aan stakende leerkrachten.

Het onderwijs, net een maand op stoom en de leerkrachten in het basisonderwijs gaan donderdag 5 oktober al staken. Naast de roep  om meer loon willen zij ook aandacht voor de enorme werkdruk die met name wordt veroorzaakt door het verplicht invullen van heel veel papieren. De meeste leerkrachten hebben voor het vak gekozen, omdat ze graag met leerlingen werken. Ze willen hun kennis en vaardigheden overdragen op de nieuwe generatie. Alles wat met de lessen zelf te maken heeft, het voorbereiden, het verzorgen van de lessen zelf, de toetsen en al het nakijken, vinden zij dan ook prima. Als grootste last ervaren ze volgens mij, het invullen van allerlei formulieren, waarvan niet duidelijk is wat die bijdragen aan betere resultaten voor leerling of school.

Aan mij als blogger om van bovenstaande iets te vinden. Op de eerste plaats vind ik het onderwerp van stakende leerkrachten heel erg interessant. Want eigenlijk vinden leerkrachten dat ze niet kunnen of mogen staken. Net zoals de politie. Zij staken dan ook niet graag. Dat de lessen tijdens de staking niet doorgaan is namelijk ook nadelig is voor henzelf. Want zodra de staking voorbij is moeten ze toch de verloren gegane leerstof en leertijd inhalen. Buiten dat geeft staken nog een hele boel ander gedoe. Ouders zijn boos omdat ze vrij moeten nemen van hun werk of een oppas moeten regelen.

Daarnaast is het de vraag of wel de juiste mensen last hebben van de staking. De stakende leerkrachten zouden eigenlijk iets moeten verzinnen om de minister en/of staatssecretaris van onderwijs onder druk te zetten in plaats van de ouders. Als zij bijvoorbeeld collectief  zouden besluiten geen belasting meer te betalen, dan zou het signaal harder aankomen.

Wat is in mijn verhaal het goede, positieve nieuws?

Als blogger vind ik met name de nieuwe of hernieuwde attitude van de leerkrachten interessant. Eindelijk weer eens leerkrachten die een vuist maken en opstaan tegen het onrecht dat hen wordt aangedaan. Ze zijn proactief en wachten niet lijdzaam af wat het demissionaire kabinet en/of de nieuwe regering voor hen in petto heeft.

Zelfs nu in de wederom uitgelekte begroting voor 2018 een bedrag van € 270 miljoen extra voor lerarensalarissen is opgenomen, gaat de voorgenomen staking op donderdag 5 oktober gewoon door.

That’s the spirit!

Mvg Jan

 

Analoge gamification!

Alle leerlingen gamend aan het leren!

 

 

Lees meer

In een week tijd twee leuke kennismakingen met gamification*

Een collega van Ondernemend Onderwijs wijst me op een artikel in het Brabants Dagblad van een natuurkunde docent die gebruikt maakt van gamification in het onderwijs. Deze bemerkte dat hij zijn creativiteit niet kwijt kon in het onderwijs, ging minder werken en verdiepte zich in gamification. Inmiddels geeft hij trainingen aan docenten hoe zij de lesstof met gamification dichter bij de leerlingen kunnen brengen.

Een onderdeel van mijn werk is het beoordelen van actieonderzoeken van studenten Wiskunde en Omgangskunde. Een van die  onderzoeken ging deze week ook over gamification.

Wat me aan beide verhalen opviel was dat er gekozen werd voor, wat ik voor het gemak even zal noemen, analoge gamification. Terwijl ik zelf bij gamification eerder denk aan de nieuwste digitale games voor gsm, ipad, x-box, laptops, enzovoort.

Wat was het geval? De natuurkunde docent laat de leerlingen kaartjes doorgeven. Bij de juiste combinatie leggen ze de kaarten en hun duim op tafel. De andere leerlingen moeten dan zo snel als mogelijk volgen, want wie het laatste zijn duim neerlegt verliest. De ouderen onder ons herkennen hierin het kaartspel met de naam Ezelen.

In het actieonderzoek komen verschillende games voor. Ook hier is de lesstof in een spelletje verwerkt. De betreffende student gaf bij  de eindpresentatie van zijn actieonderzoek aan dat hij de leerlingen eerst de spelregels van Kwartetten en Bingo moest uitleggen. In beide gevallen waren de leerlingen heel actief en enthousiast! En dat is een mooie voorwaarde voor leren.

Ook veel werkvormen die voldoen aan de eisen van coöperatief leren lijken op spelletjes (Kagan, 2010. Coöperatieve Leerstrategieën. Bazalt.)

Als de game-industrie nu eens de leerstof in games zou verwerken, dan is de kans groot dat de leerlingen en studenten met veel meer plezier naar school gaan en waarschijnlijk ook veel meer leren. De leerlingen en studenten denken dat ze aan het spelen zijn. De leerkrachten en docenten weten dat ze aan het leren zijn.  

Een mooi voorbeeld is het uitspelen en meer dan een miljoen euro winst maken per jaar bij Roller Coaster Tycoon goed is voor het behalen van het eindexamen Economie voor de havo.  

Volgens mij kunnen door gamification van het onderwijs straks alle leerlingen in Nederland naar de Universiteit.

Mvg Jan

 

*Onder Gamificatie (Engels: gamification) verstaat men het aanwenden van spelprincipes en speeltechnieken in een niet-spelcontext (zoals navigatie-apps, sociale media en in wetenschappelijk onderzoek) om menselijk gedrag op een positieve wijze te sturen.

 

 

Jonge wetenschappers!

Kleuters doen wetenschappelijk onderzoek met knikkerbaan!

 

 

Lees meer

Dinsdag 30 mei staat in de Volkskrant een opmerkelijk artikel onder de kop: 'Kleuters kunnen al wetenschappelijk denken'. Wat blijkt? Promovendus Joep de Graaf heeft een onderzoek uitgevoerd met 46 basisschool kleuters uit groep 1 en 2, dat wil zeggen met kinderen van 4 en 5 jaar.

De promovendus heeft de kleuters de vraag gesteld: Komt een knikker verder als de helling steiler is? De kleuters konden werken met zware of lichte knikkers, steile of minder steile hellingen, een ruwe of minder ruwe baan en met een hoge of minder hoge startpositie. Het aantal variabelen werd langzaam door de promovendus opgevoerd. Volgens de promovendus is het variëren van één variabele, terwijl de rest gelijk blijft, een belangrijk wetenschappelijk principe!

Aan het eind van het artikel geeft de promovendus aan: “dat het niet direct nodig is het curriculum nu aan te passen. Kleuters zijn van nature kleine wetenschappers, daar hoeft men niet meteen een lessenserie voor te maken. Veel belangrijker is dat leerkrachten zich ervan bewust zijn en de kinderen de ruimte geven te experimenteren”.

Deze laatste opmerking is erg belangrijk. Leerkrachten in het reguliere onderwijs houden nog vrij stevig vast aan het bestaande curriculum. Dit curriculum is door uitgeverijen vormgegeven in een of meerdere methoden. En in deze methoden is vaak weinig plaats voor Sociaal Onderzoekend, Ontwerpend en Ondernemend Leren, kortweg SOOOL genaamd.

Gelukkig komen er steeds meer projecten waarbij er aan de zojuist genoemde drie O’s ruimte wordt gegeven, maar van een in het curriculum opgenomen programma is nog geen sprake.

Kleuters schreeuwen volgens mij juist om meer SOOOL in het onderwijs.

Uit ander onderzoek is al gebleken dat kleuters erg creatief zijn. Het lijkt mij een goed idee het kerncurriculum van het basisonderwijs te vervangen door de 17 werelddoelen. De basisvaardigheden blijven uiteraard bestaan, maar alle overige vaardigheden maken plaats voor de 21e eeuwse vaardigheden die inhoudelijk gekoppeld worden aan de 17 werelddoelen.

In de ochtend is er tijd voor taal, lezen en rekenen. In de middag gaan de leerlingen aan de slag met SOOOL.

Misschien is het een goed idee de kleuters de effectiviteit van deze nieuwe aanpak te laten onderzoeken!

Mvg,

Jan Raemaekers

 

 

Huiswerkbegeleiding of examentraining, zinvol of niet?

En kan het misschien ook anders?

 

 

Lees meer

Vorige week zijn de eindexamens in het voortgezet onderwijs weer begonnen. Ruim 200.000 leerlingen uit het vmbo, havo en vwo doen er aan mee. En zoals ieder jaar stromen de klachten rijkelijk bij bureau LAKS (Landelijk Aktie Komité Scholieren) binnen. Over deze klachten wil ik het echter niet hebben. Ik wil het hebben over de berichten naar aanleiding van artikelen in verschillende kranten over het enorme aantal leerlingen dat examentrainingen volgt. Een van de artikelen heeft de titel: ‘Zakken is dus echt geen optie’. In een andere krant is de kop: ‘De onstuitbare opmars van examentrainingen en schaduwonderwijs’.

Wat blijkt? Ruim 80% van alle leerlingen in het voortgezet onderwijs, van vmbo tot en met vwo, maakt gebruikt van enige vorm van bijles of examentraining. Dus naast de examentraining maken ook heel veel leerlingen van brugklas tot en met eindexamenklas gebruik van huiswerkbegeleiding. De bijlesbureaus schieten de laatste jaren als paddenstoelen uit de grond. Het gaat dus niet alleen over een paar maanden voorbereiden op het eindexamen, maar om een jarenlange ondersteuning van brugklas tot en met examenjaar in de vorm van bijles na schooltijd.

De dagen erna stromen de reacties op deze artikelen binnen. Grofweg zijn de reacties te verdelen in voor- en tegenstanders van huiswerkbegeleiding en examentraining. De voorstanders wijzen met name op de extra kans voor hun eigen kroost. Waarom zou je je kind niet optimaal ondersteunen op school en voorbereiden op het eindexamen? Met een diploma ziet de wereld er een stuk aangenamer en makkelijker uit. De tegenstanders spreken over discriminatie. Sommige ouders kunnen het wel betalen, maar anderen niet. Dat is niet eerlijk, dit werkt kansenongelijkheid in de hand.

Iemand vraagt zich af of het onderwijs in Nederland zo slecht is dat zoveel leerlingen bijles en of examentraining nodig hebben.  Anderen merken op dat de hele middelbare schoolperiode toch één grote voorbereiding is van  4 , 5 of 6 jaar op het eindexamen.

Maar is de kwaliteit van ons onderwijs dan echt zo slecht? Volgens de inspectie en vo-raad niet. Ook internationaal staan we er in de meeste lijstjes niet slecht voor.

Een belangrijke vraag of aandachtspunt is óf onze leerlingen hun huiswerk wel maken? Huiswerk schiet er regelmatig bij in. Alleen de laatste maanden, wanneer het examen in zicht komt, gaan ze aan de slag. Ouders weten dit ook en reageren door hun kroost al vroegtijdig op huiswerkbegeleiding te plaatsen, vaak al in de tweede helft van de brugklas. In het laatste jaar gaat dit over in examentraining.

De vraag is of er iets te doen is aan deze enorme hoeveelheid huiswerkbegeleiding? Of er iets aan gedaan moet worden?  Dat lijkt een illusie want iedereen vaart er wel bij. De resultaten van de school gaan er op vooruit, er slagen meer leerlingen. De ouders zijn blij dat iemand anders hun kinderen achter de veren zit bij het maken van het huiswerk. De leerlingen hebben een grotere kans om over te gaan naar het volgende leerjaar en om het eindexamen met goed gevolg te doorstaan. De huiswerk- en examentrainingsbureaus hebben volop klanten en dus werk. De minister houdt niet van zittenblijvers en zeker niet van vroegtijdig schoolverlaters. Dus waarom er iets aan doen? Een win-win voor iedereen, behalve dat de ouders er wat armer op worden en dat sommige ouders het zich niet kunnen veroorloven.

Is het ethisch wat de scholen doen? Kunnen ouders of leerlingen geen klacht indienen, omdat de kwaliteit van het geboden onderwijs onder de maat is? Duidelijk is dat er blijkbaar een andere attitude van de leerlingen is tijdens de bijles. Ze moeten komen, ze moeten hun huiswerk maken en afhebben, hun gsm moet uit en in de tas, de groepen zijn vaak klein, een andere docent, andere uitleg, enzovoort. Dit strakke regime verricht blijkbaar wonderen.

Wat kunnen de docenten en het onderwijs hiervan leren? Scholen zouden hun huiswerkbegeleiding en huiswerkdidactiek tegen het licht kunnen houden. Wat vinden we van ons huiswerk? Wat verstaan we onder huiswerk? Hoeveel huiswerk is optimaal? Differentiëren we met huiswerk of krijgt iedereen hetzelfde huiswerk? Wanneer is huiswerk effectief? Kijken we het huiswerk de volgende les na? Hoe kijken we na? Welke feedback is belangrijk en effectief? Welke rol vervult het huiswerk in de volgende les? Enzovoort. Allemaal vragen die een antwoord verdienen.

De meeste scholen hebben geen uniform huiswerkbeleid. Toch zijn er wel positieve uitzonderingen Vorige week was ik op de Sancta Maria Mavo in Den Bosch waar  de leerlingen op school onder begeleiding van docenten het huiswerk  maken. In de ochtend krijgen de leerlingen lessen van een half uur, waarin de instructie wordt verzorgd. In de middag plannen de leerlingen hun verwerkingsopdrachten en maken hun huiswerk. Als de leerlingen klaar zijn laten ze het aftekenen en mogen ze naar huis. De leerlingen kunnen kiezen om het huiswerk volledig zelfstandig te maken of met begeleiding. Gaat het volledig zelfstandig maken van het huiswerk niet goed, dan vervalt deze optie en zitten de leerlingen de komende vier weken bij de eigen docent in de klas tijdens het maken van het huiswerk. De leerlingen gaan fluitend naar huis, zonder huiswerk. En als de ouders thuis vragen of ze hun huiswerk afhebben, dan kunnen alle leerlingen dit bevestigend beantwoorden. Hiermee hebben we een driedubbele win-win-win te pakken! Halleluja, praise the Lord!

Met vriendelijke groet,

Jan Raemaekers

 

 

 

Meer inspraak door 'leek'!

Mijn oproep: maak meer ruimte voor de inspraak van boeren, burgers en buitenlui!

 

 

Lees meer

Steeds vaker worden boeren, burgers en buitenlui ingezet om mee te denken over belangrijke zaken in de samenleving. Zo las ik onlangs in de Volkskrant dat Prinses Laurentien kinderen mee laat praten over 100 miljoen euro voor armoedebestrijding in de steden Den Haag, Deventer, Leiden, Breda en Den Bosch.

Nou is armoede natuurlijk een relatief begrip, maar daar gaat het even niet om. Ik doel op de trend die al zeker een jaar of tien zichtbaar is in onderwijs en bedrijfsleven, namelijk het inschakelen van ‘leken’ bij innovatieve ontwikkelingen en projecten. Deze leken weten inhoudelijk vaak niets van het onderwerp of project, maar hebben daarom juist een frisse, andere kijk op de zaken.

Een grappig voorbeeld van een mislukking die misschien voorkomen had kunnen worden, was het ontwerp van een kaartverkoopmachine bij een parkeergarage. Bij de specificaties van deze kaartverkoopmachine stond dat de machine ook toegankelijk moest zijn voor rolstoelgebruikers. Er werd toen een machine ontworpen met de kaartjesopening op kniehoogte van rolstoelgebruikers. Voor de doorsnee automobilist helaas niet zo geschikt. De veronderstelling is dat dergelijke ontwerpfouten te voorkomen zijn door vroegtijdig gebruik te maken van deze ‘leken’.

Ook in het onderwijs zien we een toename van zogenaamde leerlingenraden of studentraden. Leerlingen of studenten worden vroegtijdig betrokken bij ontwikkelingen die zich op de school of in de organisatie afspelen. Toen mijn kinderen klein waren kreeg de leerlingenraad van de plaatselijke basisschool de vraag voorgelegd wat zij vonden wat ‘snoep’ was? En wat wel en niet in het boterhammentrommeltje mocht zitten. Wat bleek: De kinderen waren veel strenger dan hun leerkrachten en ouders.

In het artikel met prinses Laurentien buigt een Raad van Kinderen zich over het armoedebeleid voor de jeugd. Deze kinderen zijn tussen de 9 en 14 jaar oud. De achterliggende gedachte is dat kinderen creatief denken en onbevangen kijken naar de knelpunten en problemen. Betreffende vijf gemeenten beloven de meningen van de kinderen mee te nemen in de besluitvorming.

In Den Bosch maakt de gemeente ook al langer gebruik van de inbreng van haar burgers. Vorig jaar nog werden de burgers gevraagd mee te denken hoe ’s-Hertogenbosch de groenste hoofdstad van Europa kon worden. Ondanks de fanatieke inzet en mooie inzendingen van veel leerlingen is dat net niet gelukt.

Nu op dit moment heeft de gemeente de vraag voorgelegd hoe het afval te halveren. Deze vraag is via een van de vier HUB’s van Ondernemend Onderwijs in Den Bosch ingebracht en wordt door studenten van o.a. de Pabo opgepakt en in het netwerk uitgezet. Via de padlet (digitaal prikbord) van Ondernemend Onderwijs kunt u deze ontwikkelingen op de voet volgen.

Jan Raemaekers, Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs

 

Belonen beter dan straffen

Voor elk gelezen boek een extra dag vrij van school! 

 

 

Lees meer

Onlangs stond er een weer een prachtig verhaal in de Volkskrant. Dit keer over leesbevordering in Italiaanse gevangenissen. De gevangenen zijn massaal aan het lezen geslagen, maar daarover later meer.

De laatste tijd staat (on)geletterdheid weer volop in de aandacht. Volgens Stichting Lezen en Schrijven is ongeveer 2,5 miljoen mensen in Nederland laaggeletterd. Laaggeletterden zijn mensen die moeite hebben met lezen, schrijven en/of rekenen. Vaak hebben zij ook moeite met omgaan met een computer. Zij beheersen niet het minimale niveau* om volwaardig in de Nederlandse maatschappij te kunnen functioneren.

Nederland beschikt best over een goed en effectief onderwijsstelsel. We staan internationaal ergens tussen de vijfde en vijftiende plaats, afhankelijk of we het hebben over reken, spelling of lezen. Je zou zeggen dat dit voldoende is om van die laaggeletterdheid af te komen, maar zo eenvoudig is dat niet. Ondanks alle initiatieven op het gebied van lezen en schrijven in Nederland lukt het maar niet het percentage laaggeletterden omlaag te krijgen.

Uit eigen ervaring weet ik dat lezen en leesbevordering best wel een complexe aangelegenheid is. Nederlandse leerlingen in het basisonderwijs vinden begrijpend lezen vaak het saaiste vak op school. Van dr. Kees Vernooy (een autoriteit op het gebied van lees- en taalonderwijs en lector aan de Hogeschool Edith Stein), heb ik geleerd dat begrijpend lezen bestaat uit technisch lezen, woordenschat met de bijbehorende achtergrond informatie en een beperkt aantal leesstrategieën. Te veel leesstrategieën zal niet leiden tot beter begrijpend lezen, maar werkt averechts op het leesplezier van de lezer. En zonder leesplezier wordt er nog minder gelezen. Het lezen van boeken is goed voor een betere leesontwikkeling. Nog belangrijker is dat veel lezen goed is voor je woordenschat en dit is weer goed voor je algehele ontwikkeling. In het algemeen kun je zeggen: Zien lezen, doet lezen.

Hoe krijgen we nu onze jeugd (weer) aan het lezen? Daarvoor gaan we terug naar de gevangenis in Italië. Daar gaat in de provincie Calabrië voor elk boek dat verkocht wordt ook een boek naar de gevangenisbibliotheek in Cosenza. En de gevangenen verslinden die boeken. Hoe kan dat? Voor elk boek dat de gevangenen lezen krijgen ze drie dagen strafvermindering, met een maximum van 48 dagen per jaar. Ze krijgen per boek een mondelinge overhoring om te controleren of ze het boek daadwerkelijk gelezen hebben. Het zijn en blijven natuurlijk boefjes. Ook in Nederland zouden we dit systeem bij gevangenissen kunnen toepassen. Uiteindelijk is resocialisering een van de doelen van ons gevangenissysteem. Naast straffen ook belonen.

Onze Nederlandse leerlingen gaan gemiddeld 200 dagen per jaar naar school (ong. 1000 uur). Stel dat we het lezen van boeken gaan belonen met vrije schooldagen of extra lange vakanties (met uiteraard een maximum). Volgens mij neemt dan het lezen zeer snel toe. Woordenschat en schrijfwerk gaan er op vooruit en van de inhoud van de gelezen boeken steken leerlingen ook het nodige op. Door de extra vrije dagen worden de klassen kleiner en dus minder druk, minder ruzies in de klas en de docent heeft meer aandacht voor de overgebleven leerlingen. Lezen is dan geen straf, maar een ware beloning.

Jan Raemaekers, Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs

 

* Door de overheid vastgesteld op eindniveau vmbo of niveau mbo-2/3 (niveau 2F binnen de Standaarden en eindtermen volwassenen educatie).

 

Op weg naar een nieuw kerncurriculum

Mijn oproep: maak een filmpje en doe mee! 

 

 

Lees meer

Een paar maanden geleden heb ik een toespraak bijgewoond van Ruud Veltenaar (o.a. filosoof en trendwatcher) over de toekomst van het onderwijs. Afgelopen vrijdag tijdens de netwerkbijeenkomst van Ondernemend Onderwijs was Anne-Marie Rakhorst (Duurzaamheid.nl) aanwezig om te vertellen over haar 17 werelddoelen die er toe doen. Beide toespraken brachten me op het idee onze huidige kerndoelen voor het basis- en het voortgezet onderwijs grondig te herzien. Uiteraard zijn en blijven de basisvaardigheden taal, lezen en rekenen gewoon bestaan. Zonder deze vaardigheden wil het ook niet lukken met het verwerven van andere vaardigheden.

De toespraak van Ruud Veltenaar is voor een groot gedeelte terug te vinden op zijn website. Wat ik er van onthouden heb is dat hij aangaf dat er drie grote uitdagingen zijn, te weten:

1) een ecologische (red de natuur);

2) een sociaal maatschappelijke (kloof tussen arm en rijk) en

3) een spirituele uitdaging (red de mens).

Op basis van deze drie grote uitdagingen formuleert hij 8 onderwerpen die de basis moeten vormen van het nieuwe curriculum in het onderwijs.

Anne-Marie Rakhorst doet ongeveer hetzelfde. In 2015 ondertekenden de 193 wereldleiders van de Verenigde Naties het document waarin de 17 Werelddoelen zijn opgenomen. Deze Werelddoelen moeten ervoor zorgen dat de wereld in 2030 een betere plek is om te leven. Voor iedereen!

De 17 Werelddoelen zijn een routekaart voor een duurzame, eerlijke en rechtvaardige wereld in 2030. Zij wil ervoor zorgen dat iedereen de 17 Werelddoelen kent en dat Nederland al zijn kennis en talent inzet om deze belangrijke doelen te behalen in binnen- en buitenland.

In mijn ogen zijn de grotendeels verouderde en vakspecifieke kerndoelen in het onderwijs toe aan een grondige herziening. De nieuwe basis hebben bovenstaande dame en heer aangegeven en ik ben het van harte met ze eens.

Momenteel loopt er een heel mooie prijsvraag. Iedere leerling met een leeftijd tussen 6 en 17 jaar oud kan meedoen aan deze prijsvraag. Wat moet je doen? Je maakt een filmpje van maximaal 2 minuten waarin je vertelt wat jouw idee is en wat je nodig hebt om het te kunnen uitvoeren. Klaar? Dan stuur je het vóór 15 mei op via 17doelendiejedeelt.nl/prijsvraag en wie weet zien ze jou op 1 juni 2017 in NEMO Science Museum!

 

Jan Raemaekers, Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs

 

Over BEP en BEA en WHY de HUB's belangrijk zijn!

Mijn oproep: krachten in en om het onderwijsveld bundelen om meer slagkracht te genereren!

En aan de slag bij HUB’s!

 

Lees meer

Een paar weken geleden was ik als lid van het programmateam van ’s-H Ondernemend Onderwijs aanwezig bij de aftrap van de Bossche Educatieve Agenda (BEA) in aanwezigheid van een groot deel van de Bossche Educatieve Partners (BEP).

De BEP is een groep van organisaties die op de een of andere manier betrokken zijn of zich betrokken voelen bij de opvoeding en het onderwijs van 0 tot 18 jarigen in de regio Den Bosch. De 1e bijeenkomst stond met name in het teken van kennismaken. Bij de 2e bijeenkomst  werd de deelnemers een keuze geboden uit een aantal themagroepen, te weten Natuur, Cultuur, Gezondheid, Techniek, enz. Bij ondernemend onderwijs gaat het om ruimte te bieden aan ondernemend gedrag van leerlingen en docenten. Het onderwerp of thema speelt daarbij geen rol van betekenis. Dus ik kon elk van de thema’s kiezen. Ik koos voor de tafel met het thema Gezondheid.

Midden op onze tafel stond op een groot papieren tafellaken in een cirkel het woord WHY? Volgens de Gouden Cirkel van Simon Sinek. Waarom is gezondheid belangrijk? Opdracht was het hierover te hebben en vervolgens het gesprek samen te vatten in één zin. Ik zal u de discussie en dialogen besparen en volstaan met onze zin van de tafel Gezondheid en met enkele begrippen uit de samenvatting op het einde van de bijeenkomst. Onze samenvattende zin was:

Samen werken aan de gezondheid van kind en leeromgeving van gezonde geest naar een gezond lichaam. Zie foto.

 

De begrippen die ik genoteerd heb als een soort samenvatting van de gehele bijeenkomst: gebrek aan afstemming; verbinden; onderzoekend leren; vraag en aanbod bij elkaar brengen; ontzorgen; bekendheid; een totaal loket; samenwerken; wat kan wel?

En op het eind van de bijeenkomst was het mij duidelijk. Er is grote behoefte aan fysieke en digitale ontmoetingsplekken waar vraag en aanbod uit de Triple Helix kan worden gekoppeld.

Ondernemend Onderwijs is dus met haar HUB’s op de goede weg.

Onze 3 actieve HUB’s zijn te vinden bij Pabo (Fontys Hogeschool Kind en Educatie), Muzerije en het Jeronimus Bosch Art Center. De 4e komt waarschijnlijk bij ZLTO / HAS, hierover worden momenteel afspraken gemaakt. Verder heeft Ondernemend Onderwijs deze fysieke HUB’s aangevuld met een padlet d.w.z. een digitale HUB. Iedereen kan elke vraag en elk aanbod op dit digitale prikbord plaatsen. Zeven studenten gaan vervolgens met uw vraag of uw aanbod aan de slag.

Dus HUP allemaal naar ……..onze HUB’s!!

 

Jan Raemaekers, Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs

Lees hier meer over BEA en BEP  

 

 

'Gezeur en gedoe' goed voor de democratie!

Is ‘zeuren’ echt zo negatief?

 

 

Lees meer

De laatste tijd hoor ik steeds vaker opmerkingen als: ‘wat zitten ze nu toch allemaal te zeuren over …’. Ook ik op zie vaak op tv gasten in praatprogramma’s die Nederland maar helemaal niets (meer) vinden. In het onderwijs klagen de leerkrachten en docenten ook steen en been. Alles moet anders of alles verandert juist te veel. De kranten staan vol met reacties of kritiek op eerder gepubliceerde artikelen. Zo ook in Amerika. Daar protesteert ongeveer de helft van de Amerikanen tegen de nieuwe president Trump en/of zijn beleid.

En dit ‘gezeur en gedoe’ vindt plaats in juist de meest welvarende landen van de wereld.

Ik vraag mezelf af wat diezelfde mensen zouden doen wanneer ze bijvoorbeeld in een straatarm land zouden wonen. Mijn moeder zei altijd als wij aan het zeuren waren of ruzie hadden over het eten, het gebrek aan plaats, of onze kleren: “Hou op! De mensen in Biafra die hebben recht om te klagen, die hebben het pas echt slecht, die hebben pas echt honger”. Ja, daar kun je als klein kind natuurlijk niet tegenop.

Toch zit er ook een goede kant aan al dat geruzie, gezeur en gedoe heb ik ooit gelezen. Je kunt dit ook zien als een vorm van betrokkenheid, van kritisch lezen, kritisch denken en kritisch zijn. Door alle (positieve óf negatieve) kritiek houdt men elkaar bij de les. Wanneer je iets schrijft in een krant, op Wikipedia of op social media, zijn er altijd mensen die reageren of corrigeren. En wanneer dit op een nette beschaafde manier gebeurt is daar niks mis mee. Je zou zelfs kunnen stellen dat al dit gedoe en gezeur de basis vormt van een gezonde en volwassen democratie. Kijk maar naar landen waar men het niet zo nauw neemt met de waarheid en waar maar heel weinig weerstand (meer) is van de media en de bevolking. Heeft men daar dan helemaal niets te zeuren?

Wat heeft dit nu allemaal met Ondernemend Onderwijs te maken? Veel, heel veel!

In ons ietwat verouderde curriculum zitten een paar hiaten die ik graag zou willen dichten. Twee daarvan zijn het ontbreken van mediawijsheid en informatievaardigheden. Juist deze twee hebben we in onze steeds toenemende digitale en complexe wereld heel hard nodig om meningen, feiten, alternatieve feiten, nepnieuws en leugens goed uit elkaar te kunnen houden.

Hoe kunnen wij leerlingen en studenten hier goed op voorbereiden? Daar heb ik zelf wel wat ideeën over, maar daarover een ander keer meer.

 

Met vriendelijke groet, 

Jan Raemaekers, Lid programmateam sHOO                   

 

Meer  lezen in het boek: ‘Gedoe komt er toch.’ Zin en onzin over organisatieverandering. Jansen & Jansen, 2005. Uitgever: Scriptum. ISBN 9789055943982.

 

Wit is ook een kleur!

Hoe zwart/wit ben jij?

 

 

Lees meer

De documentaire: ‘Wit is ook een kleur’, van Sunny Bergman heeft eind vorig jaar behoorlijk wat stof doen opwaaien. Bergman geeft aan dat het in haar documentaire niet gaat om een wetenschappelijk onderzoek, maar de uitkomsten zijn wel indicatief en geven stof tot nadenken.

Op de site van de VPRO is te lezen:

“We nodigden dertig kinderen uit, tweeëntwintig witte kinderen en acht donkere. Ik vroeg de kinderen welke pop of cartoonfiguur het slimst was. Rond de 75 procent van de kinderen (die een antwoord gaven) wezen naar de witte pop. ‘Omdat ze wit is’, werd er gezegd. Of ‘omdat deze pop een normale kleur heeft.’ Toen ik vroeg welke pop stout was, of straf zou krijgen, wees bijna 80 procent van de kinderen naar de zwarte pop. ‘Die kijkt een beetje bozig!’ zei een kind. Of: ‘Deze baby is stout want hij trekt aan haren.’ En toen ik vroeg welke pop de meeste mensen mooi zouden vinden wees bijna 85 procent naar de witte pop. Er was geen significant verschil in percentages tussen de witte en de donkere kinderen onderling.

De ouders van deze kinderen keken naar het experiment en reageerden vaak gechoqueerd. Het overgrote deel – negentig procent van hen – gaven aan linksgeoriënteerd te zijn. Allemaal gaven ze aan dat ze zich niet bewust of expliciet racistisch zouden uiten. Veel van ouders vroegen zich vertwijfeld af waar hun kinderen deze waardeoordelen vandaan hadden gehaald.”

De verklaringen over dit resultaat gingen na het uitzenden van deze documentaire alle kanten op, o.a. dat het veel te maken had met de opvoeding van de ouders. Ze zouden bewust of onbewust de kinderen opvoeden met boekjes waarin de witte kinderen de helden zijn. Kinderboeken met donkere kinderen in de hoofdrol komen bijna niet voor. Verder zit ons taalgebruik vol van een soort wit superioriteitsgevoel. Ik zal niet beginnen over Sinterklaas en zwarte Piet, maar we kennen allemaal de zwarte Ridder en de prins op het witte paard, enz.  (zie synoniemen grafische afbeeldingen onderaan).

In recente rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau en van Amnesty International is te lezen dat discriminatie jegens niet-witte Nederlanders structureel is: zowel op de arbeidsmarkt, in het onderwijs als bij de politie. Je hebt dus als wit persoon een voordeel waar je je misschien niet bewust van bent. Je weet natuurlijk niet hoe vaak je leerkracht donkere medeleerlingen minder aandacht gaf, of hoeveel zwarte medesollicitanten zijn afgewezen voordat jij je baan kreeg.

In eerdere blogs heb ik reeds geschreven over docenten die lagere verwachtingen hebben bij allochtone leerlingen en die bij een gelijke toets of resultaat de donkere leerlingen toch vaker verwijzen naar een lagere vorm van vervolgonderwijs (lees vmbo in plaats van havo).

Ik ben geen socioloog en ik wil me zeker niet de titel van racist op de hals halen, maar een verklaring die ik niet nog heb gehoord wil ik toch graag inbrengen in deze donkere dagen na Kerst. Namelijk: als ik aan de kleuren wit en zwart denk, dan denk ik bij zwart aan donker, nacht, slecht zicht, duisternis en kou. Bij wit denk ik aan sneeuw, dag, licht, vogels en warm. Mogelijk is dit een verklaring waarom ook 75% van de donkere kinderen dezelfde antwoorden geeft als de witte kinderen. Misschien heeft het er niets mee te maken en zit ik er volledig naast, maar het is wel belangrijk open te staan voor alle mogelijke invalshoeken en creatief naar mogelijke oplossingen te zoeken. Bij deze!

Jan Raemaekers

Lid Programmateam

 

Rapporten van het Sociaal en Cultureel Planbureau en Amnesty International.

        

 

 

De oplossing voor samenwerking onderwijs arbeidsmarkt?

Het kan in een Hub geregeld zijn!

 

 

Lees meer

Het einde van het jaar nadert en dan is het altijd verstandig om even stil te staan bij de stappen die gezet zijn en de weg die je volgend jaar wilt bewandelen. 

Het afgelopen jaar is door het Programmateam van ’s-Hertogenbosch Ondernemend Onderwijs vooral gezocht naar het borgen van de verworvenheden die de laatste drie jaar zijn geboekt op het gebied van ondernemendheid. Hiervoor heeft het team drie initiatieven bedacht, te weten: een train de trainers netwerkgroep, een vraag en aanbod platform en een of meerdere adviesraden. 

En wat is hiervan terechtgekomen? Om kort te zijn is er een duidelijk netwerk van mensen en organisaties uit de triple helix die belangstelling heeft voor ondernemendheid. Zie onder andere de hier onder staande beschrijving van de bijeenkomst op 25 november j.l.

En hoe staat het met de adviesraden? Het oprichten van een of meerdere adviesraden dat lijkt toch iets complexer en moeilijker dan vooraf gedacht, maar ook hier lijkt een oplossing in zicht.

En is er al een platform voor vraag en aanbod? Via de website van Ondernemend Onderwijs kunnen vraag en aanbod elkaar al vinden. En ook lijken de nog op te richten Hubs  prachtige plekken om vraag en aanbod bij elkaar te brengen en op elkaar af te stemmen. Tot zover de terugblik op 2016.

Op 25 november 2016 werd vooral vooruitgekeken. Bij Muzerije in Den Bosch kwamen ongeveer 35 belangstellenden af op  onze uitnodiging onder de titel: Samenwerken aan ruimte voor ondernemendheid. Naast drie prachtige presentaties van good practices van KC De Haren, het KW1C en  Fontys HKE / Pabo, werden de aanwezigen opgeroepen om aan te geven welke bijdrage zij of de eigen organisatie het komende jaar zal leveren aan ondernemendheid. Deze bijdragen vormen een soort bouwstenen voor het fundament van een innovatieve ontwikkeling, niet alleen in het onderwijs, maar ook in het bedrijfsleven en binnen (semi)overheden, om meer ruimte te geven aan hun medewerkers en studenten voor een meer structurele samenwerking.

De behoefte aan ondernemende locaties waar de betrokkenen elkaar op een inspirerende wijze kunnen ontmoeten zal vorm gegeven worden in zogenaamde Hubs. Het begrip hub (Engels voor naaf) is afkomstig uit de elektronica en is een apparaat waar koppelingen gemaakt worden en waar switches in een netwerk plaatsvinden of mogelijk zijn.

Voor ons is een Hub dus een ontmoetingsplaats voor kruisbestuivingen van mensen uit het bedrijfsleven, het onderwijs en de (semi)overheden. In 2017 gaat het Programmateam vijf Hubs openen. Muzerije is er daar één van. Hun missie luidt: Leren, (mee)maken en verbinden! Bijna alles waar een Hub voor staat.

Ik wens jullie allemaal prettige feestdagen en een ondernemend 2017!

En hopelijk tot ziens in een van de vijf Hubs!! Tot hubs!

 

Jan Raemaekers

Lid Programmateam

 

Voorstel Maurice de Hond bespaart het onderwijs tijd!

Niet méér, maar in plaats van!

 

 

Lees meer

In de Volkskrant van 2 november staat een artikel van Maurice de Hond, waarin hij voorstelt het spellingonderwijs verder aan te passen door ‘ei’ en ‘ou’ af te schaffen en overal ‘ij’ en ‘au’ te schrijven. Zijn motivatie hiervoor is dat we de verschillen toch niet meer kunnen horen en het onderwijs hierdoor veel instructie- en oefentijd bespaart.

Ik wil echter niet ingaan op het aanpassen van het spellingsysteem in Nederland. Hierover heeft ieder wel een mening. Maar zijn artikel staat wel een uitermate belangrijke opmerking over het Nederlandse onderwijs die ik graag onder de aandacht wil brengen. Maurice constateert nl. dat het onderwijs altijd wordt genoemd, zodra er weer iets moet veranderen in ons land.  Bijvoorbeeld:

-             onze kinderen zijn te dik; dus het onderwijs moet meer bewegingslessen gaan geven.

-             Zwarte Piet mag niet meer zwart zijn; dus het onderwijs moet meer aandacht besteden aan ons slavernij verleden.

-             kinderen (cyber)pesten te veel en te vaak; dus het onderwijs moet anti-pestprogramma’s invoeren en hier iets aan doen.

Maurice maakt na een opsomming van wat allemaal op het bordje van het onderwijs komt terecht de opmerking, en ik citeer: “Maar wat ik dan nooit erbij hoor, wat er dan minder geleerd hoeft te worden. Waaraan minder tijd op school besteed hoeft te worden.

Dit is een fenomenale opmerking van Maurice de Hond!

 

Ook het programmateam van Ondernemend Onderwijs probeert meer aandacht te vragen voor Ondernemendheid in het onderwijs. Wij willen dit doen door meer ruimte te vragen voor docenten en leerlingen om te werken aan maatschappelijk relevante projecten. Maar waar moet die ruimte in het curriculum en schooltijd vandaan komen? Deze ruimte kun je creëren door na te gaan welke vakspecifieke en vakoverstijgende doelen je met een nieuw project dient.  Dit wil concreet zeggen dat er lessen of delen van lessen uit de reguliere methoden worden vervangen door de nieuwe inhoud en aanpak. Daarnaast worden vakoverstijgende lessen als Sociale Vaardigheden en Loopbaanbegeleiding geïntegreerd in het project.

Een voorbeeld: leerlingen hebben via de leerlingenraad het verzoek gekregen na te denken over en mee te werken aan het herinrichten van de openbare ruimte rondom de school. Uit de tientallen ideeën die leerlingen tijdens de lessen hebben bedacht, op papier gezet en gepresenteerd kiest een werkgroep van docenten, leerlingen en ambtenaren de beste. De docenten van de verschillende vakken kijken vervolgens welke lessen uit de reguliere methoden kunnen komen te vervallen, omdat de doelen door het vakoverstijgende project worden ingevuld.

Dus niet méér, maar in plaats van!

Maurice nogmaals bedankt voor je geweldige artikel waar je het en-en-probleem oplost door de reguliere les te vervangen door het project. De docenten zullen overigens nog een flinke (extra) inspanning moeten leveren om een dergelijk vakoverstijgend project te realiseren. Maar ik voorspel dat het enthousiasme, de motivatie en de inzet van de leerlingen dit meer dan voldoende zal compenseren.

Jan Raemaekers

Lid Programmateam Ondernemend Onderwijs

 

 

Over Zwarte Piet en hoge hakken

Discussie ‘naaldhakken’ van groter belang dan ‘zwarte’ Piet?

 

 

Lees meer

Een van de taken van het onderwijs is het socialiseren van de opgroeiende jeugd. Zorgen dat ze de waarden en normen van een land leren kennen. Discriminatie en indoctrinatie worden meestal als onwenselijk beschouwd. Zo willen we bijvoorbeeld in de ‘Pieten-discussie’ af van de traditionele zwarte piet met oorbellen en dikke lippen.  Ook willen we zelfstandig denkende en proactieve mensen voor onze toekomstige arbeidsmarkt.

In dit kader wil ik de aandacht vragen voor de naaldhakken. Dringen wij mannen of de maatschappij die op, of leggen vrouwen dit zichzelf op? Waarom is hier aandacht voor nodig zult u zich afvragen? En kunnen de vrouwen hier niet zelf wat aan doen? Niet aantrekken die naaldhakken en klaar is Els. Maar zo makkelijk lijkt het niet te zijn. Ik begrijp als je wat klein bent dat hoge hakken dan een vorm van compensatie kunnen zijn. En ik begrijp dat wij mannen of de maatschappij een vrouwbeeld hebben geschapen van lang en dun. Dus dragen vrouwen naaldhakken.

Maar het dragen van naaldhakken is erg ongezond. Op latere leeftijd heeft dit gevolgen voor de rug, nek, heup en voeten. Bij het opleiden, begeleiden en coachen van vrouwelijke docenten besteed ik altijd aandacht aan dit onderwerp. Ik wijs mijn studenten op het belang van goed schoeisel. In het algemeen staan en lopen  docenten een groot gedeelte van de dag. Dus goed schoeisel is onontbeerlijk!

De vraag is nu of er een taak is weggelegd voor het onderwijs om te voorkomen dat vrouwen hun voeten misvormen? Denk hierbij bijvoorbeeld aan het inbinden van de voeten in China als schoonheidsideaal, tot dat dit rond 1911 bij wet werd verboden. Is zo’n verbod ook nodig in Nederland, maar dan op het dragen van (misvormende) naaldhakken?

In Nederland hebben we Arbowetgeving. Zo kun je een Arbo-onderzoek laten doen naar de werkplekken van je personeel om een muisarm of nek- en rugklachten te voorkomen. Dit alles om een gezonde leefomgeving te bewerkstelligen en het aantal ziektedagen te beperken. Bij navraag bleek het dragen van naaldhakken echter niet op het lijstje te staan. Wel is er in diverse branches veel aandacht voor de werkschoenen van het personeel. Denk maar eens aan de brandweer of aan mensen in de bouw, verpleeghuizen, enz. Dus waarom niet voor onderwijzend personeel. Ik hoor u al roepen: “betutteling” en “regelzucht”! En gelijk heeft u. Ik zal me er niet mee bemoeien, maar ik heb het wel onder de aandacht gebracht. Waarvan acte!

Jan Raemaekers

Lid Programmateam Ondernemend Onderwijs

 

 

Scholen zijn koplopers in smart-citybeweging!

Zijn zij katalysator van de duurzaamheidstransitie?

 

 

Lees meer

In de Volkskrant van dinsdag 25 oktober staat een artikel over hoe scholen (basisonderwijs, voortgezet onderwijs, middelbaar en hoger beroepsonderwijs) de koplopers zijn in de smartcitybeweging. Wat een fantastische ontwikkeling. Jaarlijks krijgt een van de scholen in Nederland de prijs van meest duurzame school van Nederland. Van elke provincie wordt een kandidaat school voorgedragen. Eén van deze twaalf genomineerden krijgt uiteindelijk de prijs toegekend door de vakjury.

Dit jaar heeft één van de twaalf scholen zich vooral toegelegd op afvalrecycling, het verminderen van de ecologische voetafdruk van de school. Een aantal scholen heeft zich toegelegd op het experimenteren met innovaties op het gebied van logistiek, circulaire materiaalstromen, energie en watermanagement.

Het hogere belang dat millennials, verreweg de belangrijkste doelgroep in het onderwijs, hechten aan duurzaamheid is een voor de hand liggende factor. Het aantal leerlingen en studenten is ongeveer 3,5 miljoen. Uitgaande van het principe dat twee leerlingen meer weten en kunnen dan één leerling, hebben we hier een enorm reservoir aan mogelijkheden.

Hoe scholen op zoek zijn naar duurzame innovaties is te zien op de website van Ondernemend Onderwijs. Om energiegebruik terug te dringen worden op sommige scholen zonne- en windenergie ingezet. In samenwerking met de lokale waterzuivering wordt fosfaat teruggewonnen uit de natte urinefracties van mannentoiletten. Steeds meer schoolkantines zorgen ervoor dat de catering volledig vleesvrij is. Los van eventuele gezondheidsoverwegingen is het terugdringen van de CO2- uitstoot hierbij een belangrijke overweging. 40.000 studenten en docenten van een hogeschool die twee dagen vegetarisch eten leveren daarmee een besparing op van zo’n 53 ton CO2 en 14 miljoen liter water. Naast de winst voor het milieu brengt die aanpak ook een andere manier van denken op gang. De scholen als katalysator van de duurzaamheidstransitie dus. Vooruitstrevende scholen zoeken die rol op. Duurzaamheid wordt gezien als een kernwaarde en op allerlei manieren is men bezig de milieubelasting door de scholen terug te dringen.

Het is nu aan de innovatieve bedrijven, gemeenten, startups en universiteiten om die samenwerking met de scholen op te zoeken. Laten we gebruikmaken van deze koplopers!

Plotseling schrik ik wakker en besef dat ik een hele mooie droom heb gehad, een wensdroom. Het dringt weer tot me door dat niet de scholen in het artikel de koplopers zijn, maar de festivals. Jammer voor het onderwijs, maar het blijft een mooi artikel!

Jan Raemaekers

Lid Programmateam Ondernemend Onderwijs

 

Zie Volkskrant dinsdag 25 oktober 2016, artikel van Milan Meyberg en Frederic Sanders. Titel: Festivals zijn koplopers in smartcitybeweging.

 

 

Aanleg of aangeleerd? Nature of nurture?

In mijn ogen is er sprake van ongelijkheid, of zelfs discriminatie.

 

 

Lees meer

Aanleg of aangeleerd? Dit is een eeuwenoude discussie. Wordt intelligentie bepaald door aanleg of is het aangeleerd? Toch is er iets anders aan de hand. In bijgaand filmpje gaat het om twee qua intelligentie gelijkwaardige leerlingen of studenten, t.w. Jan en Roderick. In aanleg, qua DNA (genen) is er geen verschil. Het verschil komt dus tot stand door de omgeving of door individuele keuzes. In het filmpje zien we onder andere dat de ouders een behoorlijke invloed uitoefenen. Uit onderzoek is ook bekend dat leerkrachten van groep 8 een leerling van (ex) allochtone afkomst bij precies gelijke resultaten eerder een vmbo advies geven en de autochtone leerling een havo-advies. Dit komt doordat de leerkrachten bij de leerlingen van groep 8 andere verwachtingen hebben ook al zijn de prestaties of cijfers gelijk.

Uit onderzoek blijkt (Marzano) dat ongeveer de helft van de schoolprestaties te verklaren valt uit het thuismilieu en het DNA. Op de andere helft heeft het onderwijs wel invloed en daarin is de rol van de leerkracht en docent het meest bepalend, gevolgd door de directeur en de grootte van de klas. Zie afbeelding: Marzano. Wat werkt op school?

In mijn ogen is er zeker sprake van ongelijkheid, er is zelfs sprake van pure discriminatie. Dit zien we in onze gehele maatschappij. Dat is niet eerlijk, maar wen er vast maar aan! Of nog beter, bereid je er maar vast op voor. De ene keer is deze ongelijkheid gericht op intelligentie, de andere keer op allochtonen of op vrouwen of op gehandicapten of vul maar in. De wereld is hard en oneerlijk, maar je hoeft niet bij de pakken neer te zitten. Je kunt er zelf gelukkig ook iets aan doen, namelijk persoonlijke keuzes maken. Ook deze zijn natuurlijk gedeeltelijk door je opvoeding en onderwijs bepaald, maar niet iedereen uit een laag milieu zit op het vmbo en niet iedereen uit een hoog milieu op het vwo. Nu helpt goed onderwijs (lees ondernemend onderwijs) natuurlijk wel. Ik ben een heel grote voorstander om ondernemendheid op te nemen in het curriculum en de kerndoelen. En Covey met zijn zeven eigenschappen van effectief leiderschap daarin een vooraanstaande plek te geven. Om zo ongelijkheid en discriminatie van binnenuit te bestrijden!

Jan Raemaekers

Lid Programmateam Ondernemend Onderwijs

 

Filmpje facebook: Zo werkt sociale ongelijkheid.

Marzano, Robert. J. (2013), Wat werkt op school? Research in action. Bazalt Educatieve Uitgaven.

Covey, S.R. (2010), De zeven eigenschappen van effectief leiderschap. Business Contact.

 

 

Zand kruipt waar het niet gaan kan

Zandbak is eerste 3D printer!

 

 

Lees meer

‘Kinderen die in de zandbak spelen worden verkeerd voorbereid op de arbeidsmarkt’, dat stelt onderwijskundige Anneke Tielemans volgens een artikel in De Speld. Zij pleit voor het vervangen van zandbakken door vergadertafels. Lees hier het hele artikel. 

Of dit nu serieus bedoeld is of niet, mijn mening en die van honderden leerkrachten en docenten in de regio ’s-Hertogenbosch is: als je kleuters beter wil voorbereiden op de arbeidsmarkt dan moet je aan de slag met Ondernemend Onderwijs.

 

We vroegen hen wat de huidige leerlingen/studenten nodig hebben aan vaardigheden als ze over 10 tot 15 jaar toetreden tot de arbeidsmarkt. De top 5 die ze noemen is: 1. zelfstandigheid / autonomie; 2. ict-geletterdheid / mediawijsheid; 3. onderzoekende houding; 4. probleemoplossend vermogen; en 5. samenwerken.  Als dezelfde leerkrachten en docenten vervolgens de vraag krijgen wat ze daar nu al aan doen in de eigen klas dan blijft het nog erg stil. De meeste geven aan dat ze dan de methode pakken en de volgende les geven die aan de beurt is.

Zoals je ziet komt het hele begrip zandbak niet voor in de genoemde top 5. Ook als ik het rijtje verder afkijk niet. Toch ben ik het niet eens met onderwijskundige Anneke Tielemans in De Speld. Spelen in de zandbak levert wel degelijk een bijdrage  aan je C.V.

 

Kijkend naar de vaardigheden van de top 5 dan heb je als 4 of 5 jarige een behoorlijke autonomie als je tijdens de pauzes of in de werklessen in de zandbak mag spelen. Meestal krijg je van de juffrouw geen specifieke opdracht mee behalve dat je niet met het zand mag gooien. Je hebt als kleuter dus alle vrijheden die je maar wenst om iets te bedenken en te maken. Ik kan me herinneren dat ik graag en veel in de zandbak heb gespeeld. Ik bouwde kano’s, kastelen, bruggen, tunnels, enz. In grote zandbakken kunnen verschillende (groepen) kinderen aan de slag. Samen kun je grotere en mooiere bouwwerken maken. In en onder kastelen kun je prachtige gangen en tunnels graven. Vanuit alle vier de windstreken graven tot je elkaars handen kon zien of voelen. Dit lukte niet altijd. Soms was de samenwerking niet goed, soms lag het aan de constructie of aan het materiaal. Het zand in de zandbakken op school is meestal te droog. En niet van elke juf of meester mag er zomaar water gebruikt worden om de kwaliteit van het zand te verbeteren. Er wordt een behoorlijk beroep op je onderzoekende en probleemoplossende vaardigheden gedaan tijdens het spelen in een zandbak. Wat ook fijn is aan een zandbak is dat je 3D kunt creëren. In de klas is het toch vaak werken in het platte vlak bv een tekening of een werkblad. Je kunt een zandbak bijna zien als een soort 3D printer van je fantasie. Als dit geen eigenschappen zijn voor de arbeidsmarkt van de toekomst dan weet ik het niet meer!

Jan Raemaekers

Lid Programmateam Ondernemend Onderwijs

 

Werken met parallelklassen: een slimme en een domme groep?

Mijn stelling: Het kan niet zo zijn dat we nog steeds uitgaan van een fixed mindset: als je voor een dubbeltje geboren bent, dan word je nooit een kwartje

Lees meer

In de Volkskrant van afgelopen week stond een groot artikel over het rapport van het Centraal Planbureau (CPB) met de titel: Kansrijk Onderwijsbeleid. Een van de meest effectieve maatregelen uit het rapport is het werken met zogenaamde parallelgroepen. Oneerbiedig gezegd: Je maakt een groep met de slimste helft van de kinderen en een groep met de domste helft van de kinderen.

Volgens het rapport levert deze maatregel een leerwinst op van 0.20 SD (standaarddeviatie) voor zowel de ondergemiddelde groep als de bovengemiddelde groep. Als leerlingen een halve SD (0.5) leerwinst bereiken door een maatregel, dan rekenen of lezen zij een onderwijsniveau hoger dankzij de maatregel. Bijvoorbeeld als een leerling voordien rekende en las op vmbo-t-niveau, dan rekent en leest de leerling daarna op havo-niveau.

Op zich een mooi resultaat, toch wil ik een paar kanttekeningen maken.

Ten eerste is het belangrijkste onderzoek dat dit resultaat onderbouwt afkomstig uit Kenia. Er kan best goed onderzoek plaatsvinden in Kenia en ook goed onderwijs verzorgd worden, maar het is iets te kort door de bocht om juist dit onderzoek er uit te lichten. Zijn er ook West-Europese of Nederlandse onderzoeken die dit aantonen? Volgens mij heeft Bosker in Nederland vergelijkbaar onderzoek gedaan. Hieruit blijkt dat een bovengemiddelde groep inderdaad beter gaat presteren. Daarentegen gaat de ondergemiddelde groep er minder op vooruit. Deze laatste groep presteert juist beter in een gemengde heterogene groep. In mijn tweede blog heb ik het gehad over het OESO rapport. Hierin krijgt het Nederlandse onderwijssysteem juist een pluim voor de beperkte spreiding tussen zwak en sterk presterende leerlingen.

Ten tweede is het de vraag of het wel zo verstandig is een tweedeling tot stand te brengen tussen sterk en zwak. Of slim en dom, zoals kinderen en ouders het zullen ervaren. De maatregel lijkt veel op de lagere school uit de jaren 60 in Nederland. Rechts in een rij zaten de leerlingen die naar de hbs gingen, in het midden de leerlingen voor de mulo en links de leerlingen die naar de ambachtsschool gingen of gingen werken. Deze voorgeprogrammeerde standenmaatschappij is niet meer van deze tijd.

Het kan niet zo zijn dat we nog steeds uitgaan van een fixed mindset: als je voor een dubbeltje geboren bent, dan word je nooit een kwartje. Lees het boek van Carol Dweck waarin ze het belang van een growth mindset aangeeft. Het CPB weet nog niet hoe ze dergelijke onderzoeken goed moeten uitvoeren! Maar door veel te oefenen kunnen ze nog veel leren! Onze oosterburen wisten dit al heel lang: Übung macht den Meister.

Jan Raemaekers

Lid programmateam ’sH Ondernemend Onderwijs

 

Link naar site van het CPB 

Link naar boek van Carel Dweck 

 

 

IPad is middel en geen doel

Mijn oproep: docenten, verken de mogelijkheden van ICT en laat je daarbij coachen door je leerlingen. Oud geleerd voelt jong aan.

 

 

Lees meer

In de Volkskrant van afgelopen zaterdag een groot stuk over de iPadscholen van Maurice de Hond onder de kop: Op zoek naar de school van de 21e eeuw. Mooi is zijn verhaal over het ontstaan van de iPadschool. Hij kijkt naar binnen op de basisschool waar zijn oudste kinderen 30 jaar geleden naar school zijn gegaan en ziet dat er bijna niets is veranderd.

Hier heeft hij wel een punt te pakken. Leerlingen die als 4 jarige naar de basisschool gaan komen ongeveer 15 tot 20 jaar later op de arbeidsmarkt terecht als werkzoekende. Hoe kan en moet een school leerlingen hierop voorbereiden? Dit is zowaar geen makkelijke opgave.

 

Martin Valcke, een Belgisch hoogleraar en onderzoeker o.a. op het gebied van ICT, is kritisch als het gaat over de mogelijkheden en inzetbaarheid van ICT in het onderwijs. Zeker als het gaat om de didactische mogelijkheden van ICT en het vervangen van de docenten. Het is volgens hem nog niet zo eenvoudig ICT meer effectief te laten zijn in vergelijking met een docent.

 

De koninklijke weg is als eerste een visie te ontwikkelen op het gebied van ICT. Gevolgd door de deskundigheidsbevordering van de docenten. Vervolgens de digitale leermiddelen en tot slot volgt de infrastructuur en de hardware te organiseren.

 

We moeten onze kinderen leren ‘leren’. Als we van onderwijs ‘leren’ maken en samen met onze leerlingen kennis creëren (co-creatie) dan ontstaat er een gezamenlijke inspanning. Docenten worden meer coaches van het begeleidingsproces van de leerlingen.

Hierbij gebruiken we allerlei digitale middelen, zoals digibord, computer, laptop, gsm, iPad. Deze digitale middelen zijn geen doel op zich, maar hulpmiddelen om het leren ‘leren’ te bevorderen. In veel gevallen zijn de leerlingen en studenten veel handiger met al die devices dan de leerkrachten of docenten. Gelukkig is de jonge generatie graag bereid de oude generatie de weg te wijzen op deze nieuwe digitale snelweg, een prachtige kans voor een co-creatie in de zoektocht naar de school van de 21e eeuw!

 

Jan Raemaekers

Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs

 

Link naar youtube filmpje van Martin Valcke

Link naar SLO rapport over 21e eeuwse vaardigheden

 

 

Differentiëren om te motiveren

Mijn oproep: zorg voor keuzevrijheid, voor leerlingen, maar ook voor de leraren! Geef de leraren meer ruimte om hun eigen onderwijs vorm te geven.

 

 

Lees meer

Uit onlangs gehouden onderzoek van de OESO blijkt dat het Nederlandse onderwijs er in het algemeen goed op staat. Dit is een dikke pluim voor alle mensen werkzaam in en om het onderwijs, met name de leerkrachten en docenten. Nederland doet het onder andere goed op het gebied van taal- en rekenen/wiskundeonderwijs. En dat alles met een beperkt budget. Heel knap werk dus!

 

Zijn er dan helemaal geen punten van aandacht? Jazeker wel, het kan altijd beter. Ik pluk er een punt uit, te weten de lage motivatie van de leerlingen. In het rapport roept de OESO op om te investeren in de capaciteiten van de leraren op het gebied van differentiatievaardigheden. Dit is iets dat de inspectie enkele jaren geleden ook al heeft gesignaleerd. Differentiëren kun je op veel verschillende manieren en heeft een heel groot effect op de motivatie van de leerlingen.

 

Een voorbeeld: Joep en Dennis komen mijn jongste zoon Frank ophalen om samen naar school te lopen. Ze zitten in groep 6 van het basisonderwijs. Joep is een stille jonge die ik normaal eigenlijk niet of nauwelijks hoor praten. Tot mijn grote verbazing heeft Joep het hoogste woord deze ochtend. Hij is enthousiast over een of ander project. Ook Dennis en Frank zijn enthousiast. Ze hebben duidelijk zin om naar school te gaan. Terwijl Frank zijn jas aantrekt en zijn boterhammentrommeltje in zijn rugzak stopt wordt langzaam duidelijk wat er aan de hand is. De leerkrachten van de bovenbouwgroepen 6, 7 en 8 hebben besloten dat de leerlingen zelf mogen kiezen welk project van wereldoriëntatie (aardrijkskunde, geschiedenis, biologie) ze graag willen volgen. Differentiatie qua interesse. Drie weken lang zijn de vrienden fluitend naar school gegaan.

 

Jan Raemaekers

Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs

 

Link naar brief van de Kamer

Link naar het rapport van de OECD

 

 

Max Verstappen

Zijn naam is Verstappen, Max Verstappen!

 

 

Lees meer

 

Wat een prestatie! Ongelooflijk wat deze jongen heeft gedaan. Wat een lef, wat een moed, wat een durf. Zoveel kwaliteit, zoveel talent. Max heeft net een week eerder zijn oude team van Toro Rosso verruild voor het team van Red Bull racing. Hij beschikt net over een stoel op maat. Hij is amper gewend aan het met ICT volgepropte stuur en de elektronica van de wagen als hij de vierde startpositie weet te veroveren. Uiteraard heeft Max ook het geluk dat de twee Mercedespiloten, Rosberg en Hamilton, elkaar al in de eerste bocht van de baan afrijden. Samenwerken moet je blijkbaar leren.

Wat heeft die jongen toch veel skills in huis. Vaardigheden om alle problemen op te lossen gedurende de race. Hoe ga je met de banden om? Hoe ga je met de spanning om? Hoe houd je de concurrentie achter je? Samen met zijn team heeft Max gekozen voor een twee-stop-strategie. In de laatste twintig ronden heeft Max de oudste banden van de top vier. Max heeft er negen ronden meer opzitten dan zijn teamgenoot als deze zijn linker achterband aan flarden rijdt. Ik neem aan dat Max of de engineers van zijn team toch even stevig hebben zitten rekenen. Wel of niet nog een extra pitstop voor een bandenwissel? Niet nodig, er is blijkbaar kritisch over nagedacht. Dit en nog veel meer competenties heeft Max en nog maar net 18 jaar. Uiteraard een overwinning in een goede samenwerking en harmonie met een geweldig team. Normaal zeg ik: Alleen ga je sneller, maar samen kom je verder! Tijdens de grand prix race in Barcelona was eerder sprake van: Alleen ga je sneller én samen kom je verder!

We weten dat de 21e century skills van Max voor een deel een kwestie is van goede genen. De moeder van Max is Belgisch kartkampioene geweest en de vader van Max heeft enkele jaren in het formule 1 circus rondgereden. Naast deze aanleg zitten er ook ongelooflijk veel oefenuren achter deze prestatie. Hij begon met karten toen hij amper 4 jaar oud was. Talent alleen is niet genoeg. Ook oefenen en nog eens oefenen is van groot belang. En dat hij nu uit de bocht gevlogen is in Monaco doet daar niets aan af. Want fouten maken moet!

Nu blijf ik alleen met de vraag zitten: Wat heeft Max nu eigenlijk op school geleerd? Toch eens aan hem gaan vragen! Misschien heeft hij tijd voor mij bij de grand prix van Spa Francorchamps!

Jan Raemaekers

Lid programmateam ’s-H Ondernemend Onderwijs